Menu Sluiten

Terugblik – drie keer CEDAW: hoe het VN-Vrouwenverdrag verschil maakte in Nederland

Met de CEDAW-sessie in februari in het vooruitzicht, blikken we graag terug op het verleden. Het VN-Vrouwenverdrag (CEDAW) heeft in Nederland de afgelopen jaren geleid tot concrete veranderingen in wetgeving, beleid en rechtspraktijk. In deze blog lichten we drie voorbeelden uit waarin CEDAW doorslaggevend was, en laten we zien hoe ook de aanbevelingen van het CEDAW-comité doorwerken in beleid.

Een beroep doen op het VN-Vrouwenverdrag
Nederland heeft het VN-Vrouwenverdrag (CEDAW) geratificeerd. Dat betekent dat Nederlandse burgers zich kunnen beroepen op het verdrag in juridische procedures bij Nederlandse rechtbanken en gerechtshoven als zij denken in hun rechten te zijn geschaad. Een beroep op schending van het Verdrag betekent niet zonder meer dat de Nederlandse rechter het verdrag ook van toepassing zal verklaren.

Nederland heeft ook het Optional Protocol bij het VN-Vrouwenverdrag geratificeerd. Daardoor kunnen individuele vrouwen of groepen vrouwen een klacht voorleggen aan het toezichthoudend Comité van het Verdrag, het CEDAW-Comité, indien zij van mening zijn dat de nationale rechter het VN-Vrouwenverdrag ten onrechte niet van toepassing heeft verklaard. Op deze twee manieren biedt het VN-Vrouwenverdrag bescherming aan burgers en ingezetenen van Nederland.

In Nederland zijn er in de laatste jaren drie toonaangevende zaken geweest waarin een beroep op een artikel uit het VN-Vrouwenverdrag slaagde.

Vrouwen in de SGP (2010)

De SGP-zaak draaide om het passief kiesrecht voor vrouwen en de schending van het VN-Vrouwenverdrag door de Nederlandse Staat, die onvoldoende maatregelen nam tegen de discriminatie door de partij. De zaak leidde tot uitspraken van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). 

De SGP verbood vrouwen om zich passief verkiesbaar te stellen, terwijl de partij gesubsidieerd werd door de Nederlandse overheid. Met een aantal andere vrouwenorganisaties spande het proefprocessenfonds Clara Wichmann een zaak aan tegen de Staat, waarin zij stelden dat de Staat in strijd handelde met artikel 7 van het VN-Vrouwenverdrag door de uitsluiting van vrouwen op de SGP-kieslijsten toe te laten en de partij financieel te ondersteunen.

Artikel 7 van het VN-Vrouwenverdrag stelt dat staten die partij zijn bij het verdrag passende maatregelen moeten nemen om discriminatie van vrouwen in het politieke en openbare leven uit te bannen. Het verdrag verplicht onder meer om vrouwen gelijke politieke rechten te garanderen als mannen, zoals stemrecht en het recht om verkiesbaar te zijn.

In 2010 oordeelde de Hoge Raad dat artikel 7 van het VN-Vrouwenverdrag directe werking heeft en dat de Staat daadwerkelijke maatregelen moest treffen om de ongelijke behandeling door de SGP te beëindigen.

De SGP ging hierop in beroep bij het EHRM en stelde dat de uitspraak van de Hoge Raad hun godsdienstvrijheid en verenigingsvrijheid schond. Het EHRM verklaarde de klacht van de SGP in 2012 echter kennelijk ongegrond. Het Hof bevestigde daarmee dat politieke partijen vrouwen op hun kieslijsten moeten toelaten en dat dit geen schending van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is. 

De uitspraken waren bindend voor de Nederlandse Staat. Hoewel de partijbeginselen het nog steeds ‘ontraden’, is het sinds 2013 statutair mogelijk gemaakt voor vrouwen om zich kandidaat te stellen voor de SGP, op lokaal, landelijk en Europees niveau. Kandidaatstellingscommissies hebben de vrijheid hierin een eigen afweging te maken. Inmiddels zijn er op lokaal niveau SGP-vrouwen verkozen in gemeenteraden, maar bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen stond er nog steeds geen enkele vrouw op de kandidatenlijst, hoewel er wel een aantal vrouwen zich daarvoor aangemeld hadden. 

Uitkering voor zwangere zelfstandigen (2017)

Een tweede belangrijke uitspraak waarin het VN-Vrouwenverdrag doorslaggevend was, betrof de toegang van zwangere zelfstandigen tot een uitkering. Tussen 2004 en 2008 hadden zelfstandige ondernemers geen recht op een zwangerschaps- en bevallingsuitkering. Daarmee zaten duizenden vrouwen zonder inkomen tijdens hun zwangerschap, terwijl werkneemsters wél doorbetaald kregen.

Met steun van de FNV, de Vereniging voor Vrouw en Recht en het Proefprocessenfonds Clara Wichmann stapte een aantal zelfstandig werkende vakbondsvrouwen naar de rechter en betoogden dat Nederland hiermee in strijd handelde met artikel 11 van het VN-Vrouwenverdrag, dat staten verplicht om vrouwen te beschermen tegen discriminatie op grond van zwangerschap en moederschap. Het afschaffen van de regeling voor zelfstandigen leidde volgens hen tot ongelijkheid in economische positie en sociale zekerheid.

De rechtbank, het gerechtshof Den Haag én de Hoge Raad stelden de vrouwen in in het ongelijk. Omdat alle nationale rechters doorlopen waren, was het mogelijk om een klacht in te dienen bij het CEDAW-Comité. Het Comité stelde de vrouwen eindelijk in het gelijk. De vrouwen konden, anders dan de Nederlandse rechters beweerden, rechtstreeks een beroep doen op een bepaling uit het VN-Vrouwenverdrag. De Staat moest de vrouwen compenseren. 

Echter, de strijd was nog niet gestreden. De regering besloot om de aanbevelingen van CEDAW naast zich neer te leggen. De vrouwen besloten om een andere tactiek in te zetten: ze vroegen een uitkering aan bij het UWV. Uiteindelijk zou de kwestie op deze manier terechtkomen bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarvan bekend was dat deze zwaar gewicht toekende aan uitspraken van internationale comités. De CRvB oordeelde in 2017 dat het VN-Vrouwenverdrag direct werking had en dat vrouwen hier dus directe rechten aan kunnen ontlenen. De staat moest de vrouwen compenseren.

In 2019 werd de compensatieregeling opengesteld. Zelfstandigen die tussen 2004 en 2008 bevallen waren, konden alsnog een uitkering aanvragen. Daarmee werd een jarenlange ongelijke situatie rechtgezet en werd bevestigd dat het VN-Vrouwenverdrag niet alleen richtinggevend is, maar ook directe impact heeft op de sociale en economische positie van vrouwen in Nederland.1

Naamswijziging na echtscheiding (2025)2

Een recente zaak betrof de rechten rond naamswijziging na echtscheiding. Een genaturaliseerde vrouw met een migratieachtergrond moest in Nederland hoge leges betalen om haar geboortenaam terug te krijgen na haar scheiding, dat was met haar minimum inkomen niet te doen. Toen zij geen gehoor vond bij de Nederlandse rechters, diende ze een klacht in bij het CEDAW-comité.

Het Comité oordeelde in februari 2025 dat de hoge kosten en belemmeringen voor het terugkrijgen van de meisjesnaam neerkwamen op indirecte discriminatie van vrouwen, vooral van vrouwen met een migratieachtergrond of een beperkte financiële middelen, en dat Nederland daarmee haar verplichtingen uit artikel 16 van het VN-Vrouwenverdrag had geschonden. Artikel 16 verplicht lidstaten om discriminatie rondom het huwelijk tegen te gaan. Nederland moest de vrouw de mogelijkheid bieden om kosteloos haar geboortenaam terug te krijgen en haar de gemaakte juridische kosten vergoeden, en binnen zes maanden rapporteren welke maatregelen het neemt om gelijke toegang tot naamswijziging te garanderen.

Deze uitspraak benadrukt dat het VN-Vrouwenverdrag niet alleen verbiedt om mensen direct te discrimineren, maar ook om indirect obstakels te creëren die vrouwen onevenredig treffen, met name op intersectioneel vlak. Dat heeft concrete gevolgen voor hoe wettelijke procedures zoals naamswijziging toegankelijk moeten zijn voor alle vrouwen. 

Concluding Observations werken door in wetgeving en beleid

Na elke dialoogsessie met een land dat zich gebonden heeft aan het VN-Vrouwenverdrag doet het CEDAW-Comité aanbevelingen aan dat land om de implementatie van het Verdrag te bevorderen. De Concluding Observations werken ook door in wetgeving en beleid.

De schaduwrapportages van o.a. het Netwerk VN-Vrouwenverdrag zijn een belangrijke informatiebron voor het CEDAW-Comité. Zo zijn er voorzichtige beginstappen gezet in de ontwikkeling van een Genderspecifiek beleid Geweld tegen vrouwen, waar op aanraden van CEDAW aandacht is voor genderstereotypering en machtsongelijkheid. Intersectionaliteit wordt ook steeds meer herkend door aanbevelingen van het CEDAW; het is van belang om verbanden tussen verschillende vormen van geweld te zien en daarop gebaseerd samenhangend beleid te maken. 

Ook is CEDAW het eerste VN-mechanisme dat in 2016, op basis van de schaduwrapportages van het COC, TGN en NNID, en die van het Netwerk de intersekseproblematiek aan de orde heeft gesteld. Het vroeg het expliciete aandacht voor intersekserechten binnen de context van vrouwenrechten, met nadruk op zelfbeschikking en lichamelijke integriteit. Sinds die aanbeveling hebben medische instellingen gewerkt aan kwaliteitsstandaarden voor zorg voor kinderen met intersekse kenmerken.

Vooruitblik

De volgende Constructive Dialogue (CD) tussen Nederland en het CEDAW-comité staat gepland begin februari van het aankomende jaar. We hopen kritische vragen terug te horen die voortvloeien uit onze schaduwrapportages. De uiteindelijke Concluding Observations van CEDAW-comité geven weer hoe de regering het doet en hoe ze het beter moeten doen.

Amber Giesen,

met dank aan Leontine Bijleveld, Petra Snelders, Janna Visser en Linda Mans.

1‘Eindelijk ’n uitkering! Met dank aan het VN-Vrouwenverdrag. Het verhaal van 15 jaar procederen, actie en lobby voor de uitkeringsrechten van zwangere zelfstandigen‘. In dit boek wordt de volledige tijdlijn en inhoud van de procedures voor de zwangere zelfstandigen uiteengezet. In het boek wordt ook dieper ingegaan op het VN-Vrouwenverdrag, bijvoorbeeld in Hoofdstuk 2.

2Brief over de uitspraak