Goedkeuringswet VN-Vrouwenverdrag

 Rijkswet van 3 juli 1991, goedkeuring van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (New York, 18 december 1979)
(Goedkeuringswet Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen)
[Versie geldig voor/op: 01-04-1996, op 29 mei 2003 ontleend aan de wettenbank van overheid.nl]


Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ingevolge artikel 91, eerste lid, van de Grondwet het op 18 december 1979 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen de goedkeuring van de Staten-Generaal behoeft alvorens het Koninkrijk daaraan kan worden gebonden;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:
Kamerstukken II 1984/85, 1986/87, 1988/89, 1989/90 18950 (R 1281)
Handelingen II 1989/90, blzz. 4611-4625; 4844-4851; 4864-4876; 4979
Kamerstukken I 1989/90, 18950 (R 1281) (258); 1990/91, 18950 (R 1281) (72, 72a, 72b)
Handelingen I 1990/91: zie vergadering d.d. 2 juli 1991

Artikel 1
Het op 18 december 1979 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, waarvan de Engelse en Franse tekst zijn geplaatst in Tractatenblad 1980, 146, en waarvan de vertaling in het Nederlands is geplaatst in Tractatenblad 1981, 61, wordt goedgekeurd voor het gehele Koninkrijk.

Artikel 2
Goedgekeurd wordt het voornemen over te gaan tot opzegging voor het Koninkrijk van het Verdrag inzake de nationaliteit van de gehuwde vrouw (New York, 20 februari 1957, Trb. 1965, nr. 218).

Artikel 3
Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze Rijkswet, en vervolgens telkens na vier jaar, aan de Staten-Generaal een verslag over de uitvoering voor Nederland van het in artikel 1 genoemde Verdrag.

Artikel 4
Deze Rijkswet treedt in werking met ingang van de dag na heden.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad en het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen alsmede in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te ‘s-Gravenhage, 3 juli 1991

Beatrix

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
E. ter Veld

De Minister van Buitenlandse Zaken,
H. van den Broek

Uitgegeven de zestiende juli 1991

De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin